• Visit Us On TwitterVisit Us On Facebook

Jouw verhaal!

By Websitezeeland
In Gedichten
jan 5th, 2015
0 Comments
1662 Views

18 MAART 1991

Maandagochtend, drie dagen voor de lente begint. De telefoon rinkelt op een onmenselijk vroeg uur. Nog niet helemaal wakker en inwendig vloekend om het zoveelste verkeerd gekozen nummer, neem ik op. “Er is iets mis met pap,” hoor ik, “’t is zijn hart, de dokter is er, en de ziekenwagen is er ook al.” “Ik kom onmiddellijk, ” is het enige wat ik zeg. Ik ben klaarwakker.

Op weg naar het huis van mijn ouders verbaas ik me over het enorme aantal auto’s dat op dit uur al op weg is. “Arbeiders met vroegdienst,” denk ik. “Straks, in het ziekenhuis, zal ik pap zeggen dat hij mijn reputatie als langslaper nu toch wel al moet kennen en dat opstaan met de ochtendploeg voor mij toch wel heel erg vroeg is. Hij zal er waarschijnlijk om moeten lachen, hij kent me goed genoeg, ik kan er ’s avonds niet in en ’s morgens niet uit.”

Vroeger, toen ik nog thuis woonde, kwamen we elkaar regelmatig op de trap tegen. Hij net op, ik op weg naar bed. “Ugh,” groette hij me dan in ware indianenstijl, meer niet. In tegenstelling tot nogal wat vaders van dochters had mijn vader blijkbaar geen probleem met mijn nachtelijke uitspattingen, of hij kon het dan in ieder geval toch goed verbergen.

Ik rij de brug over en zie door de bomen het licht in de slaapkamer van mijn ouders branden. Ineens realiseer ik mij dat er iets goed mis moet zijn. Ik draai de straat in. Voor het huis staan drie wagens met zwaailichten (politie, brandweer, ambulance), het is er muisstil. Het blauwe licht begeleidt me terwijl ik naar de voordeur ren waar mam me opwacht. Mam omhelst me. “Ik denk dat het te laat is,” zegt ze. Ik probeer haar te kalmeren en zeg dat alles wel weer goed komt.

Boven hoor ik stemmen en onbekende geluiden. Ik vraag mam of we binnen kunnen gaan. Ze wil eerst nog even naar boven. Mijn onderbewustzijn registreert het afzetten van een machine.

De politieagenten boven aan de trap zitten duidelijk met de situatie verveeld en durven ons bijna niet aan te kijken. Uit de slaapkamer komen achtereenvolgens de huisdokter, de dokter van het urgentieteam en twee verplegers. Ze kijken bedremmeld. “We hebben alles geprobeerd wat we konden,” zegt iemand, of toch iets in die stijl. Ik zie tranen in de ogen van onze huisdokter, die ook onze overbuur is. Hij vlucht in het kamertje dat ooit het mijne was.

Ik volg mam naar de slaapkamer. Pap ligt op de grond, zijn pyjamajasje is opengeknipt, geen tijd voor knoopjes. Uit zijn buik steekt een plastic buisje. En overal ligt glas van de flesjes die ze gebruikten om mijn vaders hart weer te doen slaan. Tevergeefs. Mam knielt neer in het glas en kust pap. Ze is heel kalm, ze huilt niet. Ik kniel ook neer en kus hem op zijn voorhoofd. Ik huil ook niet. Hij voelt warm aan. Het is alsof hij slaapt.

De dokter stelt de overlijdensakte op. Iemand komt de identiteitskaart van pap halen. Ik hoor mensen op de trap. Mijn vader wordt het huis uit gedragen. Iemand vraagt of we kleren kunnen meegeven voor het mortuarium. We kiezen een pak, hemd en stropdas. Op de grond ligt een bloedvlek. Ik probeer er niet naar te kijken.

`Sam`.

 

  testwebsite_C.R.-6

.

 

Visit Us On TwitterVisit Us On Facebook